begin pagina prinsenpaar sponsors praalwagens fotos krantenknipsels links fun

 

website beheer Jos de Geest

Carnaval Ontmaskerd?
Door Drs. Theo Fransen 1981

De nar
Een figuur die uit het carnavalsgebeuren niet was en is weg te denken is de nar; hij vormt zelfs een van de meest markante en tot de verbeelding sprekende typen. In een boekwerk over de carnaval mag een beschouwing gewijd aan deze figuur, Zijn
historische achtergronden en functies, zijn uitmonstering en attributen dan ook niet ontbreken. Veel auteurs hebben zich daar overigens al aan gewaagd. Het laatste woord zal er nooit over gezegd worden, want een ding wordt wel duidelijk: het gezicht van de nar verandert met de tijd waarin hij leeft.

De naam
In Nederland kennen we behalve het woord nar nog de woorden dwaas, gek en zot, in het Frans fou of fol en sot, in het Engels fool; de Duitsers kennen naast het woord Narr o.a. het woord Tor. Bij de bestudering zitten we met een dubbele complicatie. Het hanteren van meerdere woorden voor eenzelfde verschijnsel en het hanteren van eenzelfde woord
voor meerdere verschijnselen of aspecten van verschijnselen. Bijvoorbeeld gek voor geestelijk gehandicapt, iemand die zich weigert aan te passen en grapjas. Ik beperk me hier tot het titelwoord: het woord nar(ro) zou, zo wordt wel gesteld, stammen van narire = grimassen maken, gekke gezichten trekken; het Engelse woord fool, zou samenhangen
met follis, hetgeen windbuil en blaaskaak betekent, degene die woorden niet de juiste inhoud weer te geven, schromelijk overdrijft, en dergelijke. Gaignebet, een Frans volkskundige, wijst op de overeenkomst van het Franse woord fol en het Latijnse follis, de fluit, waarmee de nar graag rondtrekt en soms ook massaal benut: denk aan de Basler Morgenstreich. Hij maakt daarbij associaties met de levensadem.

Typen
De geschiedenis van de nar is zo oud als de wereld; elke tijd heeft figuren gekend die in hun samenleving slecht pasten, nu eens vanwege mentale tekorten of karakterkenmerken. Even verbreid en veel voorkomend als deze permanente vormen van `nar zijn` was het verschijnsel dat bij gelegenheid van bepaalde gebeurtenissen en bepaalde tijden ijn het jaar een aantal `normale` personen zich kortstondig collectief ging gedragen als narren. Tenslotte is er dan nog de normale individuele persoon die er een min of meer permanente rol van maakt, zoals de vroegere hofnar (ofschoon vaak wel degelijk fysiek gehandicapt) en de clown, die zich kunstmatig defecten bezorgt, zoals vlammend rode haren, rode neus, grote voeten en kleding die nergens op slaat. Sinds de Comedia dell,arte kennen we diverse klassieke typen: Arlecchino, Pulcinello, Pierro en Colombine, die wel geen nadere beschrijving behoeven. Het ging dus steeds om een echt of gespeeld tekortschietend oordeelsvermogen, om het missen van gevoel voor decorum, voor wat hoort en niet hoort. Terloops mag er hier op gewezen worden, dat het woord clown komt van colonus, hetgeen boer betekent, mede met als bijbetekenis degene die geen raad weet met de ,stedelijke, omgangsvormen.

De nar, zijn uitmonstering en attributen
Vraag een kind een nar te tekenen en gegarandeerd zal er een figuur op papier komen men een puntmuts op het hoofd met belletjes eraan. Hij zal rijkelijk grote schoenen, met opkrullende punten, meestal eveneens van belletjes voorzien, blijken te dragen. Zijn kledij: een geruit wambuis en een b roek met pijpen van verschillende kleur. Om zijn lendenen een gordel, alweer met bellen. Kortom, hij kon geen meter gaan, zonder dat men hem hoorde. Zijn bellen hebben een functie verwant aan de klepper van de melaatse, zij het minder met de bedoeling te waarschuwen voor zijn nadering, dan om zijn (alom-) tegenoordigheid ook de nodige acoustische nadruk te geven. Soms, om de associatie met de ezel –het dier dat geldt als symbool van de domheid –duidelijk te maken, dringen door zijn capuchon ezelsoren naar buiten en draagt hij een staart. Reeds bij de Egyptenaren blijkt dat de nar er ongeveer zo te hebben uitgezien. In zijn hand draagt de nar een marotte, een knots die zo bewerkt is dat deze op hem gelijkt; daarom draagt hij ook weleens in de plaats van zo,n knots een spiegel, waarin hij zichzelf ziet. Men kan daaraan een dubbele betekenis toekennen. Het kan een waarschuwing zijn tegen een narcistische, te weinig gemeenschapsgerichte houding. Het kan ook de beeldende uitdrukking zijn van wat de klassieke filosofen meenden, als ze stelden dat aan de basis van alle kennis ligt: ,Ken uzelf,. Datzelfde komt ook tot uitdrukking, zij het met een licht accent op het negatieve, in de reprimande aan degene die altijd kritiek of commentaar heeft: ,Kijk (eerst) naar jezelf,. Deze spiegel is overigens zeer oud. Immers Nigel Wireker schreef al in 1179 over de speculum stultorum. Wat er ook van zij: de nar herinnert ons aan het menselijk tekort en vraagt dat te willen accepteren. Hij ligt aan de voeten van hoogstaanden en het was zijn taak –sterker nog, hij was vaak als enige gerechtigd –die onder alle omstandigheden op hun feilen en falen te wijzen. Doch daarmee ben ik aan zijn functie toe.

De functie
Men denkt dat de nar allerlei magische krachten toe en een magische affiniteit tot chaos. Hem is een bijna pathologisch gebrek aan ‘geremdheid’ toegeschreven en hij is bestempeld als de vlees geworden wraak van het leven op de kleurloze orde. Maar intussen zijn velen evenals ik ervan overtuigd dat zijn rol juist de orde beveiligd en bevestigd. De identificatie met de nar die uit de rij danst, is voor velen net voldoende om het zelf niet te doen; de nar fungeert als een ‘plaatsvervangende overtreder’ van een te sterk ervaren keurslijf van regels en normen. Met zijn rollenspel doet hij de noodzaak ervan inzien; zijn, tegendraadsgedrag, illustreert de noodzaak van een rode levensdraad. De nar maakt de samenleving intussen van haar tekorten en haar onwaarachtigheid bewust: , Kingeren en gekken zeggen immers de waarheid,. Zijn rol haalt dus niet alle dynamiek uit het maatschappelijk gebeuren weg; de relativering van tal van zaken laat aanvoelen dat sommige dingen ook in het normale leven van alledag mogelijk best anders geregeld zouden kunnen worden. De nar onthult veel van ’s mensen diepste roerselen en strevingen. Hoe kan het eeuwige conflict tussen verstand en gevoel, de risico’s van het faustiaanse streven naar eten van de boom der kennis markanter worden geformuleerd dan in het Engelse gewegde: Where ignorance is bliss, it is folly to be wise? Waar niet-weten een zegen is, is het dwaas weten na te streven. Soms is het wel zo plezierig niet van alles het naadje van de kous te weten. In een deftige klassieke volzit heette dat: in nihil sapiendo vita jucundissima. De vele honderden spreekwoorden over de nar zijn een bewijs te over hoozeer men met bovengenoemde problemen worstelde.

Geschiedenis
De geschiedenis van het narrendom moet gelet op het vorenstaande noodzakelijkerwijs in twee delen uiteenvallen: die van de individuele nar en die van de nar opererend in groepsverband. Op de individuele nar, zoals de hofnar, is in het hoofdstuk van de buutteredner reeds ingegaan. Ik kom daarop niet terug, ik wil er alleen de aandacht op vestigen dat ,de, (officiële) nar, die veel carnavalsverenigingen erop na houden, sterk op deze hofnar gelijkt, zij het doorgaans –helaas –duidelijk onmondiger is. Prins en nar hebben elkaar nodig als in een symbiose; zij geven elkaars rollen reliëf. De nar is als het ware de levende mascotte van de prins. De nar in groepsverband treedt ons op de meest spectaculaire wijze tegemoet in het Middeleeuwse narrenfeest: fête des fous. Dit gebeuren kende reeds zijn voorlopers in soortgelijke feesten tijdens het Romeinse rijk en handhaafde zich –dat blijkt wel uit een verbodsbepaling van het Concilie van Toledo in 633 –blijkbaar ook in de Middeleeuwen. Het Middeleeuwse narrenfeest, vooral sterk verbreid in Frankrijk en Vlaanderen, doch ook wel in ons land, viel meestal in de periode rond Driekoningen en was aanvankelijk een binnen-kerkelijk feest, waarbij de subdiakens een hoofdrol speelden en tijdens hetwelk zij de gang van zaken in de kerk stevig parodieerden en over de hekel haalden.
Zij brachten de omgekeerde wereld in beeld, in het begin door de eigen kerkelijke gewaden binnenstebuiten te dragen, later door die van de hogere geestelijkheid op een bespottelijke wijze te dragen. Terloops mag erop gewezen worden, dat de omgekeerde jas, historisch gezien, dus nog niet eens zo’n ‘gekke’ carnavalsverkleding is; integendeel. Pas later, zo rond de 14eeeuw, zijn de leken in dit feest een rol gaan spelen, waardoor het kerkelijk verzet snel toenam. Men verloor er nu namelijk helemaal zijn greep op. Zeer befaamde narrengezelschappen, sociétés joyeuses zoals ze in Frankrijk werden genoemd, uit die tijd zijn: L,infanterie Dijonnaise met de Mére Folle (overigens vertolkt door een man), die honderden jaren heeft bestaan. Ook Besancon, parijs en Verviers kenden deze gezelschappen. Men kende zelfs narrengeld.


Uit deze periode (1381) dateert de Geckengesellschaft gesticht door Graaf Adrian van der Marck uit Kleve. Het is niet ondenkbaar dat de nog steeds bestaande Narrenakademie in Dülken, gehuisvest in de Narrenmühle, uit een zekere naijver ten opzichte van Kleve is ontstaan. Intussen kent ook Limburg zijn NUL = Narren Universiteit Limburg, zodat men een academische graad in deze kan behalen. Dat werd tijd. Tenslotte was er nog de vermaarde narrenrepubliek Babiëna in Polen. Slechts hoogwaardigheidsbekleders, die bereid waren bij zichzelf een stevige dosis dwaasheid te erkennen, konden er lid van worden. In zeker opzicht doet de jaarlijkse uitreiking van de orde ‘Wider den tierischen Ernst’ in Aken daaraan denken. Wat er ook van zij: duidelijk is dat de nar altijd en overal aanwezig was. Hun aantal was niet alleen oneindig, getuige het gezegde: Stulterum nuDe bestemming is duidelijk: naar Narragonië.merus, infinitus est, in elk van ons treedt de nar op onbewaakte en bewaakte –de carnaval –momenten naar voren. De computer zal daaraan geen einde kunnen maken.